Nieuws
Het klimaat als splijtzwam
bron: de Correspondent, Jelmer Mommers – datum: 10 augustus 2026
Klimaat is een van de grootste splijtzwammen van Nederland. Maar bij dit beleid voelt wél iedereen zich misschien thuis…
Praktisch en theoretisch geschoolden beleven het klimaatbeleid totáál anders: waar de een zijn waarden bevestigd ziet, voelt de ander zich betutteld. Wat de overheid kan doen om iedereen mee te krijgen: beleid maken dat met kleine stappen concrete voordelen oplevert.
Je zou het misschien niet denken als je de politiek volgt, maar over de meeste onderwerpen zijn Nederlanders het min of meer eens.
We vinden in grote meerderheid dat Rusland een dreiging is en dat Nederland minder afhankelijk moet worden van de VS voor onze veiligheid. We vinden dat er meer sociale huurwoningen moeten komen en dat de overheid harder moet optreden tegen criminaliteit.*
Maar over andere onderwerpen zijn we het nog nooit zo oneens geweest. Om die verdeeldheid in beeld te krijgen, hoef je Nederlanders maar één simpele vraag te stellen: Gaat het klimaatbeleid te ver?

Er is geen andere kwestie waarmee je stemmers van FvD, BBB en PVV zo snel in de ene hoek krijgt, en aanhangers van PRO, Volt en PvdD in de andere.

De vraag of we meer of minder asielzoekers moeten toelaten verdeelt de mensen bijna net zo sterk. Maar er is een belangrijk verschil: bijna niemand wil méér asielzoekers. Als het over migratie en
asielopvang gaat, is de dominante voorkeur ‘minder dan nu’. Bijna niemand is voor open grenzen.
Op het onderwerp klimaat daarentegen, is er een fors kamp dat groene plannen wil schrappen én een aanzienlijke groep die meer maatregelen wil. De opvattingen over het klimaatbeleid liggen daardoor nog verder uit elkaar dan die over asiel.
Dat het klimaat zo’n splijtzwam is – en dus een van de laatste kwesties die Nederlanders fundamenteel verdeelt –, blijkt uit het nieuwste Nationale Kiezersonderzoek dat in juni verscheen. De cijfers laten ook zien dat de polarisatie rondom klimaatbeleid sinds 2021 is gegroeid. De groep voorstanders is iets groter dan de tegenstanders, maar is sindsdien geslonken. Bovendien is het belang dat mensen aan het klimaatbeleid hechten, gedaald.
Wat zit hierachter, en valt er iets aan te doen? Het is een cruciale vraag, want alleen als we begrijpen waar de groeiende weerstand tegen het klimaatbeleid vandaan komt, kunnen we een groene politiek vormgeven waar ook de huidige tegenstanders in mee willen.
Opleiding hangt sterk samen met het klimaatstandpunt

Wat kenmerkt voor- en tegenstanders van het klimaatbeleid? Ze hebben andere opleidingen gedaan. Mensen met een diploma van het hbo of de universiteit vinden vaker dat het klimaatbeleid niet ver genoeg gaatdan mensen met een praktische opleiding.
Sinds 2021 daalde het aantal praktisch geschoolde voorstanders van ambitieuzer klimaatbeleid. Steun voor ambitieuzer klimaatbeleid is dus in toenemende mate iets van theoretisch geschoolden.
Naast opleiding hebben leeftijd en gender ook invloed: oudere mensen en vrouwen vinden het gemiddeld belangrijker dat Nederland een bijdrage levert aan de klimaataanpak. Andere kenmerken, zoals inkomen en woonplaats, spelen geen rol.
Hoe komt het dat theoretisch geschoolden het veel belangrijker vinden om iets aan klimaatverandering te doen? Kennis speelt een rol, maar geeft niet de doorslag. Bijna alle Nederlanders weten dat het klimaat verandert; een meerderheid gelooft dat dit vooral door menselijk handelen komt en maakt zich
daar ook zorgen over.
Ja, mensen met meer wetenschappelijke kennis over klimaatverandering zien het ook vaker als een serieus probleem. Maar daarmee is slechts een deel – een vijfde – van de opleidingskloof in klimaatopvattingen verklaard, blijkt uit onderzoek. Zelfs als je ervan uitgaat dat alle mensen met een universitair diploma meer weten van het klimaatprobleem, weet je dus nog niet waarom zij zoveel vaker voorstander zijn van klimaatactie. Er is meer aan de hand dan een verschil in kennis alleen. Maar wat?
Klimaat is onderdeel geworden van een culturele strijd

Een mogelijke verklaring voor de kloof vinden we bij de zorgen die voor- en tegenstanders van ambitieuzer klimaatbeleid nog meer hebben. Mensen die het klimaatbeleid te ver vinden gaan, vinden ook vaker dat Nederland meer asielzoekers moet terugsturen en dat migratie de Nederlandse cultuur bedreigt. Bovendien zijn ze negatiever over internationale samenwerking. Een vergelijking met 2021 laat zien dat de voor- en tegenstanders destijds minder verdeeld waren over deze onderwerpen.
Dit sluit aan bij wat politicologen al langer in de data zien: de Nederlandse politiek is meer en meer gaan draaien om culturele onderwerpen – en op die onderwerpen voorspelt vooral de laatste opleiding die je voltooide, waar je staat.
Natuurlijk is dit geen ijzeren wet: er zitten mbo’ers bij PRO en hoogleraren bij Forum. Maar de laatste verkiezingen liepen wel degelijk uit op een cultuurstrijd tussen theoretisch geschoolde
kosmopolieten aan de ene kant en praktisch geschoolde nationalisten aan de andere. Het klimaat is onderdeel geworden van deze culturele strijd. Het is een kwestie van identiteit geworden, verankerd in opleiding. Zeg me hoe je over immigranten denkt, en ik kan aardig voorspellen of je voor of tegen nieuwe klimaatmaatregelen bent, en op welke partij je stemt.
Deze culturele verdeeldheid is zo sterk, dat de klassieke verdeling tussen ‘economisch’ links en rechts – tussen meer of minder marktwerking en herverdeling – erdoor is overvleugeld. ‘Links’ betekent nu vooral dat je pro-klimaat en mild op migratie bent. ‘Rechts’ is dan anti-asiel, anti-EU en anti-klimaat.

Duurzaamheid promoten: hoe concreter, hoe beter
De grote vraag is wat we met dit inzicht kunnen. Het antwoord is: heel veel.
Maar wat er tot nu toe gebeurt, is heel weinig. Dat zegt Kjell Noordzij, socioloog aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Uit diepte-gesprekken die hij en drie collega’s voerden met praktisch geschoolden over duurzaamheid, blijkt dat zij groen beleid veelal beoordelen aan de hand van hun persoonlijke behoeften. Ze spreken positiever over klimaatmaatregelen als die hen iets concreets opleveren, zoals financieel voordeel (bijvoorbeeld een lagere energierekening) of een gezondere leefomgeving (meer groen in de buurt).
Het bestrijden van klimaatverandering noemen praktisch geschoolden zelden als doel op zich; zo’n abstract, mondiaal doel sluit niet aan bij hun leefwereld. Dat verklaart, schrijven Noordzij en anderen in een recent essay, ‘waarom veel overheidscommunicatie over duurzaamheid bij hen niet aanslaat’.
Neem de grote overheidscampagne ‘Zet ook de knop om’. Die roept burgers op om concrete, kleine stappen te zetten voor het klimaat. Maar het belang daarvan wordt geïllustreerd met een grote wereldbol, en daarmee ‘vervreemdt de campagne zich toch van de belevingswereld van veel praktisch
geschoolden’, stellen de sociologen.
In een onderzoek lieten Noordzij en zijn collega’s van de Erasmus Universiteit ruim drieduizend Nederlanders een flyer zien over de warmtetransitie. Op sommige versies van de flyer werden concrete
voordelen zoals energiebesparing benoemd, op andere ging het over de klimaatdoelen. Juist de mensen die zich mínder zorgen maken over het klimaat, bleken méér steun voor het project uit te spreken als de concrete voordelen werden benoemd.
Een groene identiteit wekt nogal wat wrevel
Hoe je klimaatbeleid presenteert, kan dus al iets uitmaken. Maar daarmee is de kloof tussen theoretisch en praktisch geschoolden nog niet gedicht. Noordzij en zijn collega’s benadrukken dat duurzaam gedrag een kwestie van identiteit is geworden, waarbij vooral theoretisch geschoolden graag laten zien dat zij de ‘juiste’ keuzes maken: ze drinken havermelk in de koffie, eten vegetarische gerechten, en hoewel ze veel vaker vliegen dan de rest van Nederland, voelt ze zich daar ook schuldiger over.*
Maar juist dat eco-vertoon triggert bij praktisch geschoolden het gevoel dat er op hen wordt neergekeken, schrijven de sociologen.
‘Onder praktisch geschoolden leeft het idee dat zij door een groep met een hogere sociale status een manier van leven krijgen opgedrongen.’
Als je eenmaal door deze bril naar de klimaatopvattingen kijkt, vallen er nog meer puzzelstukjes op hun plek. Zo onderzocht het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) de steun voor verschillende klimaatmaatregelen. De minst populaire maatregelen zijn een zuivel- en een vleestaks: ruim de helft van
de Nederlanders is daar tegen. Maar theoretisch geschoolden zijn vaker voor.
Zes op de tien praktisch opgeleiden is tegenstander van een vleestaks. Bijna de helft van de theoretisch geschoolden is vóór. Maar in de ogen van voorstanders van ambitieuzer klimaatbeleid mag een gebrek aan steun politici er niet van weerhouden te doen wat nodig is.
Theoretisch geschoolden hebben ook veel minder vaak het gevoel dat klimaatmaatregelen hen worden opgedrongen. Of dat ze door de klimaatdiscussie minder mogen ‘genieten’.
Als je voorstander bent van ambitieuzer klimaatbeleid, heb je ook minder het gevoel dat jou een bepaalde leefwijze wordt ‘opgedrongen’. Het zijn immers jóúw levenswijze en waarden die in het klimaatbeleid weerklinken.

Het sluit naadloos aan op het beeld van Nederland als diplomademocratie, zoals bestuurskundigen Mark Bovens en Anchrit Wille het noemen. Theoretisch geschoolden maken in de bovenlaag van
het Nederlandse bestuur de dienst uit. Hun belevingswereld is zo dominant en klinkt zo sterk door in het beleid, dat vier op de tien praktisch geschoolden het gevoel heeft gekregen dat ze niet meer ‘mogen genieten’. Misschien wel omdat ze er niet de ‘juiste’ groene leefstijl op na houden.
Academici, pas op met stokpaardjes
Het klimaatbeleid zou een stuk populairder – en minder polariserend – kunnen worden, als theoretisch geschoolden zich wat meer verplaatsen in de beleving van praktisch geschoolden. Dat begint bij het inzicht dat oplossingen die voor theoretisch geschoolden logisch en goed klinken, juist op onbegrip en weerstand kunnen rekenen bij de rest.
Dat speelt ook bij klimaatrechtszaken – een belangrijk instrument in het arsenaal van de klimaatbeweging, die zo probeert de politiek tot actie te dwingen. Voor theoretisch geschoolden lijkt die strategie misschien logisch, maar tegenstanders van ambitieuzer klimaatbeleid voelen er
veel minder bij. Zij hebben toch al minder het gevoel dat de rechtsstaat ‘van hen’ is, en hechten meer belang aan meerderheidsbesluitvorming dan aan tegenmachten.

In de culturele strijd tussen mensen met kosmopolitische en mensen met nationalistische waarden is dus ook de rechtsstaat geen neutraal terrein. Dat betekent niet dat de klimaatbeweging geen rechtszaken meer moet voeren, wel dat ze er rekening mee moet houden dat daardoor de
polarisatie over de rechtsstaat zelf kan toenemen. Die lijkt er zo immers des te meer te zijn voor de theoretisch geschoolde, klimaatbezorgde groep.
Het goede nieuws: er zijn klimaatmaatregelen waar wél brede steun voor is, dwars door opleidingsgroepen heen. Politici die iets voor het klimaat willen doen zonder over abstracte klimaatdoelen te praten, kunnen bijvoorbeeld inzetten op betaalbaarder of gratis OV. Dat is goed voor het klimaat én de portemonnee.
En wie steun wil voor klimaatmaatregelen, moet de kosten vaker bij vervuilende bedrijven neerleggen – 82 procent van de Nederlanders vindt dat de kosten van klimaataanpak oneerlijk verdeeld zijn tussen burgers en bedrijven. Gedeputeerde Jasper Kuntzelaers: “Limburg heeft duurzame energie nodig. Daarom investeren we eerst in kennis. Zorgvuldig onderzoek moet meer duidelijkheid bieden over de mogelijkheden van aardwarmte in de verbreukte ondergrond.”
Voor de gemeenten die de warmtetransitie moeten organiseren in de wijk, hebben de Rotterdamse sociologen ook nog een tip: ontdoe bijeenkomsten van ‘elitaire statussignalen’. Organiseer ‘liever in een buurthuis dan in het gemeentehuis, en liever ingeleid en begeleid door iemand uit de wijk dan door een hoge ambtenaar of wethouder.’
Kortom: haal het klimaatbeleid uit de theoretische zuil, en zoek juist aansluiting bij de leefwereld van de praktisch geschoolden die nu vaker sceptisch zijn over extra klimaatmaatregelen. Want zonder hun steun, wordt Nederland niet duurzaam.
